print deze pagina

Tussen droom en daad



Auteur: Huub van der Lubbe
Titel: Geregeld leven
Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar
ISBN: 9038845626 Datum bespreking: 19-05-2003
 
Geregeld leven

Ooit hoorde ik een Nederlands levenslied met de gedenkwaardige regels: ´Rond van borst / in je koffer een leverworst´ en sindsdien ben ik mijn geloof in Nederlandstalige songteksten kwijt, enkele uitzonderingen daargelaten. Eén van die uitzonderingen betreft De Dijk, die wat mij betreft met veel meer weg kunnen komen dan pakweg een Blof of een Acda en de Munnik. De teksten van Huub van der Lubbe zijn eerlijk en rechtdoorzee en dan wil ik hier en daar wat rijmdwang best op de koop toenemen. Van der Lubbes rauwe stemgeluid en passie voegen dermate veel aan de tekst toe dat De Dijk, wat mij betreft, met recht een van de sterkste Nederlandstalige bands is.

Van der Lubbe bundelde al eerder een aantal songteksten in Melkboer met de blues. Onlangs verscheen het vervolg daarop, Geregeld leven, met daarin niet alleen songteksten vanaf 1995 maar ook recente gedichten. Songtekst en gedicht staan zij aan zij, door elkaar, zodat lied en gedicht een nieuw bezield verband kunnen vormen. De vraag is natuurlijk of dat gebeurt. Zelden lukt het om een songtekst als gedicht overeind te laten blijven. Misschien dat alleen Groten als Leonard Cohen en eventueel Lennon/McCartney slagen waar bijvoorbeeld Jim Morrisson jammerlijk faalde. Toch wist bijvoorbeeld teenypopper Kylie Minogue het klaar te spelen om haar kauwgumballenhitje I should be so lucky (´I should be so lucky / lucky / lucky / lucky´) met groot succes voor te dragen op een serieus poëziefestival. Uit het voorbeeld van Minogue blijkt dat je naast een dosis geluk ook moet beschikken over een flinke portie ironie. En dat is net waar het Van der Lubbe aan ontbreekt.

Van der Lubbe is namelijk een dichter, nog net niet met hoofdletter D. En hoewel Van der Lubbe genoeg relativerend vermogen heeft om te stellen dat dichters zich voornamelijk onledig houden met brallen, brassen en luierend in hangmatten denken over de gedichten die ze zouden kunnen schrijven, neemt hij zijn dichterschap te serieus. Aan de ene kant doorziet Van der Lubbe zijn eigen fascinatie met het dichterschap, zo blijkt uit ´Pas als´:

Pas als ik mij een dichter weet
Dan is mijn leven rond, compleet
Klaar ben ik pas als ik hoera
Met een versje van a-b-b-a
Op eenderde van een pagina
In de bloemlezing van Komrij sta

(p.117)

Aan de andere kant is hij te veel, te vaak en te zeer met Dichten en Dichters bezig. Zo vallen daar de namen van Poesjkin en Majakovski, zeker niet de minste poëten. In zekere zin is het verklaarbaar dat Van der Lubbe Majakovski noemt, want zoals deze dichter zijn kunst ten dienst stelde aan het socialistische systeem, zo maakt ook Van der Lubbe zijn verzen meermalen dienstbaar aan de (vaak ook socialistisch getinte) boodschap. Majakovski was echter in vele opzichten ook een vernieuwende dichter en dat vernieuwende is wat Geregeld Leven node ontbeert. Van der Lubbes werk lijkt meer op dat van de vaderlandse rederijkers dan op dat van de krachtige Russische schreeuwlelijk. De Nederlandse Majakovski rijmt inderdaad in brave abbatjes. Neologismen, beeldspraak en dat onvangbare wat je poëzie zou kunnen noemen ontbreken ten ene malen. Zoveel als Van der Lubbe zich ermee bezig houdt met wat het is een dichter te zijn (´Zo houdt een dichter zich in evenwicht / Wat licht valt neem hij zwaar, wat zwaar valt licht´ (Zwaar licht p. 44), zo weinig wordt er daadwerkelijk gedicht. Soms is er een aanzet tot woordspel, maar meer dan een flauwe glimlach weet dat dan niet te ontlokken: ´As een fool van je gefantaseerd / Als een rare zombie lopen malen / Als een halve zool die wat mankeert / Me van alles in mijn harses lopen halen´ (Als een gek, p. 40). Woordspel dat af en toe ook trekken van rijmdwang aan dreigt te nemen; ´Mijn leven is nu zo aan het unieken / Zit ik met vrienden in de kroeg te klieken´ (Ik weet niet wat voor god, p. 21).

De teksten, of het nu songteksten zijn of gedichten, zijn vaak inkoppertjes. Ze zijn op zich zelf wel aardig, maar nergens verrassend en de clou ligt vaak voor de hand. Zoals in ´Geld maakt niet gelukkig´, dat na strofenlange dromen over wat de ikpersoon wel al niet zou doen met een half miljoen, als volgt besluit:

En groot is de verleiding
Maar ik hou niet van gezeur
Dus dan vraag ik naar de schade
En ik roep om mijn chauffeur
En die brengt me dan mijn jassen
Waar hij goed op heeft staan passen
En ik laat me door hem droppen voor je deur

Want jij kent me nog van toen
Toen ik nog geen jet bezat
En zo arm was als de luizen
Was jij al het mooiste wat ik had
Al mijn centen en juwelen
Kunnen ze bij me komen stelen
Als ik jou maar heb, mijn allerliefste schat.

(p. 16)

Vreemd genoeg weet ik vrijwel zeker dat deze songtekst, want dat is het, gezongen wél het beoogde effect zou sorteren. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor ´Mijn hart kan dat niet aan´, een lied wat Van der Lubbe schreef voor Frédërique Spigt. In gezongen versie is het een wonderschone tekst, maar geschreven verliest het aan kracht en stoort de herhaling:

Mijn hart kan dat niet aan
Mijn hart kan dat niet aan
Ik zou moeten gaan
Maar mijn hart kan dat niet aan
Moet ik gaan of blijven?
Ik weet de afloop al
Dit onbegrepen hart
Breekt in elk geval

(p. 39)

De Dijk

Toch zijn het over het algemeen juist de songteksten die nog de strakste, meest overtuigende teksten van de bundel vormen. De gedichten daarentegen lijden al te vaak aan het onderdanig moeten zijn aan de niet al te veel dieper liggende boodschap, aan het in een keurslijf gedwongen zitten en aan het al te veel gebonden zijn aan rijm en cliché´s. Het onbehouwen, ruige dat in de liederen van De Dijk zo bekoort, wordt hier zelfs af en toe ronduit vervelend. Als de dichter dan ook nog in een gedicht meent te moeten schrijven: ´En vijf minuten later komt me daar bij de slager / Een vrouw met forse borsten lief lachend om de hoek / Dan zakt in mijn gedachten haar decolleté steeds lager / En haal ik tussen de worsten mijn leuter uit mijn broek´(Als ik heel eerlijk ben, p. 30) is de lol er wel heel erg af. Natuurlijk is er geen wet die het een dichter verbiedt om woorden als ´leuter´ of, enkele regels verder, ´verhitte pook´ neer te pennen (al weet je het maar nooit met het nieuwe kabinet) maar als zulks dan ook nog in een slagerij plaatsvindt, ligt de onderbroekenlol er wel heel dik bovenop.

De meeste gedichten zijn gelukkig minder platvloers en af en toe zijn ze zelfs wel aardig, maar te vaak moeten ze inboeten door die andere, eerder genoemde euvels. Dat is ronduit jammer, want mijn bewondering voor Van der Lubbe als tekstdichter was (én blijft) groot, maar met Geregeld Leven blijkt dat Van der Lubbes magie niet aan tekst gebonden is. ´Tussen droom en daad,´ schreef Willem Elsschot, ´staan wetten in de weg en praktische bezwaren´. Wetten houden Van der Lubbe als dichter terecht niet tegen, maar praktische bezwaren zijn er talloze te verzinnen. Wie Van der Lubbes teksten wil voelen in al hun magie, moet ze kunnen horen, in een groezelige concertzaal waar Van der Lubbe gewoon Huub mag zijn en zijn mond open mag trekken. Eventueel zelfs zijn bloes.

Milla van der Have


 
Niets van deze pagina's mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
copyright © de Recensent 2000-2002